“Deze landelijke pilot wordt gedragen door alle pilots die de veiligheidsregio samen met gemeentes, maatschappelijke initiatieven en andere partners gaan uitvoeren. Het is dus is meer een verbindingsmiddel en een stimulering. Uiteindelijk is de belangrijkste vraag: hoe kan een noodsteunpunt het sociale weefsel stimuleren?” Samen met haar team gaat Van Ruijven de uitdaging aan om in het derde kwartaal van 2026 met een tussenevaluatie te komen en aan het eind van het jaar met een advies over hoe de noodsteunpunten en coördinatiepunten landelijk uit te rollen. “Alles wat in 2026 qua pilots wordt opgezet heeft nog een tijdelijk karakter. Na dit jaar worden echte keuzes gemaakt en die keuzes liggen op de bestuurlijke tafels."
2026 opgedeeld in blokken
“Die pilots vinden regionaal en lokaal plaats. Daarmee kun je echt het sociale weefsel versterken. De uitdaging die ik zie is om de behoefte scherp te krijgen: waar zit nou eigenlijk de kern? Want wat ik uit sessies en gesprekken tot nu toe merkte is dat er eigenlijk al tien werkelijkheden zijn van wat een noodsteunpunt en een coördinatiepunt is.
Om daar eenheid in te krijgen willen wij in het komende jaar echt onderdeel worden van de dialoog over noodsteunpunten. Daarom hebben we het jaar in blokken opgedeeld. Aan het einde van elk blok komen we met een publicatie met de opbrengsten van die paar maanden.
- In het eerste blok gaan we de uitgangspunten van een noodsteunpunt vaststellen. Wat is de basis? Wat is de kern? En wat vraagt dat aan middelen en bezetting? Daarnaast werken we in dit blok natuurlijk aan een overzicht van alle pilots die gaan lopen.
- Vervolgens gaat het tweede blok over communicatie en informatie. De lessen uit de stroomuitval in Spanje en in Berlijn leren dat de grootste behoefte tijdens zo’n black out het krijgen van informatie is. Hoe ga je dat organiseren? Hoe komt informatie bij het noodsteunpunt en wat is precies die informatiebehoefte? Ik zie dit als het kernelement van een noodsteunpunt.
- Het derde blok gaat over maatschappelijke initiatieven en burgerhulpverlening. Hoe ga je om met dat sociale weefsel en al die georganiseerde en spontane maatschappelijke initiatieven? Wat vraagt dat? En wie staat hoe, wat, waar met elkaar in contact? Al dat soort vraagstukken komen in dit blok aan bod.
- Tenslotte gaan we ons in het vierde blok richten op continuïteit. Op dit moment heeft weerbaarheid de volledige aandacht, maar stel dat we over een aantal jaar een ontwrichtende situatie hebben? Hoe gaan we zorgen dat de hele organisatie er dan ook in één keer kan staan als het nodig is?”
Een noodsteunpunt is niet de oplossing voor alles
“In basis is een noodsteunpunt een informatiepunt. Maar wat is een noodsteunpunt als een incident langer duurt? Moeten we ook uitgangspunten formuleren die het mogelijk maken dat je contextafhankelijk ook nog iets anders bent? Of naar andere organisaties kan verwijzen? In ieder geval is een noodsteunpunt niet de oplossing voor alles. Het is dus belangrijk dat we in kaart krijgen of en hoe systemen en organisaties als ziekenhuizen, huisartsen, apotheken, supermarkten en drogisterijen gecontinueerd kunnen worden na bijvoorbeeld een stroomuitval van 72 uur. Op het moment dat die basisvoorzieningen ook allemaal uitvallen hebben we iets anders te doen met elkaar.”
“Daarnaast is natuurlijk de vraag hoeveel noodsteunpunten er nodig zijn. In het buitenland zijn er al verschillende modellen. Ga je uit van een noodsteunpunt op maximaal een half uur lopen of ga je uit van een noodsteunpunt per bijvoorbeeld 5.000 inwoners? In de komende maanden willen we hierop antwoorden formuleren door te leren van de pilots en door te kijken hoe andere landen hiermee omgaan.”
“Uiteindelijk is de belangrijkste vraag: Hoe kunnen we een bijdrage leveren aan de weerbaarheid op zo 'n uitzonderlijk moment? Hoe stimuleren we daarin het sociale weefsel? In alle pilots wordt in basis uitgegaan van het scenario van 72 uur stroomuitval. Daarnaast kunnen veiligheidsregio’s en gemeenten ook andere scenario’s testen want het uitgangspunt is dat een noodsteunpunt ‘all hazard’ is met een vast proces en vaste uitgangspunten.”
Bijdragen aan een weerbare samenleving
“Wat we niet moeten onderschatten is de bijwinst die zo’n pilot binnen een wijk oplevert. Het doet echt iets met het urgentiebesef. Mensen gaan in gesprek met elkaar. En dat is eigenlijk het belangrijkst: dat je met elkaar praat over wat je kunt doen en hoe je dat gaat doen. Dat is ook gelijk het antwoord op de vraag waarom er in alle 25 regio’s pilots gedaan moeten worden. Het gaat hier niet alleen om efficiency. Het gaat hier ook over het met elkaar doen en met elkaar aan de slag gaan.”
"Natuurlijk kunnen we niet alles nabootsen in zo’n pilot. Als er echt iets gebeurt komt er spontaan initiatief op gang. Mensen gaan wat doen. Dat hebben we tijdens corona of tijdens de overstroming in Limburg ook gezien. Gelukkig maar, daarin zijn we ondernemend genoeg in Nederland. Maar wat doen we als zo’n crisis langer duurt en de spontane hulp uit de samenleving weer afneemt? Heeft een noodsteunpunt daar ook een rol in? Dat is ook een vraag.”
“Het uiteindelijke doel is niet dat die noodsteunpunten er staan. Het gaat erom dat we een bijdrage leveren aan die weerbare samenleving in Nederland. We kunnen heel veel mooie dingen inkopen en organiseren maar het allerbelangrijkst is de reden waarom we het doen. Dus als je me vraagt wanneer ik echt tevreden ben, is als we echt een bijdrage leveren aan die weerbare samenleving. En dat is maar een bescheiden bijdrage. Want aan die weerbaarheid en dat sociale weefsel wordt al zo hard aan gewerkt. Als landelijke pilot zijn we maar een klein onderdeeltje van heel veel werk wat door allerlei organisaties en partijen wordt gedaan. We doen het met zijn allen. En dat is heel mooi.”
Meer informatie of vragen: noodsteunpunten@nipv.nl