16 september 2026
Panden én handen: de kracht van wat er al is
Maatschappelijke weerbaarheid begint niet bij het organiseren van iets nieuws.
“Begin bij wat er al is.” zegt Francine Splinter, programmamanager Maatschappelijke Weerbaarheid en Veerkracht bij de gemeente Leiden. Haar kijk op noodsteunpunten is daarom breder dan de naam doet vermoeden. “Noodsteunpunten zijn niet alleen panden, maar vooral ook de handen die daar het werk oppakken.”
Francine Splinter
Een noodsteunpunt heeft op papier een duidelijke functie: een plek waar inwoners tijdens een crisis informatie kunnen krijgen en noodmeldingen kunnen doen. Belangrijk, zegt Francine, maar het gaat om meer dan die formele functie. Een noodsteunpunt werkt pas als inwoners de plek kennen en zich ermee verbonden voelen. “Het is een plek die ze moeten vertrouwen en die ze moeten dragen. Want anders is het geen onderdeel van hun leefwereld.”
Daarom stelt Leiden een andere vraag: hoe kunnen noodsteunpunten aansluiten op de bestaande structuren in de stad? In Leiden zijn al veel plekken waar mensen elkaar vinden, helpen en informatie delen. Juist daarop wil de gemeente voortbouwen. “Als je wil dat inwoners het omarmen en er ook naartoe gaan, moet het aansluiten bij de plekken en netwerken die er al zijn.”
Een noodsteunpunt is meer dan een gebouw
Leiden is een compacte stad met veel inwoners op een relatief kleine oppervlakte en een grote diversiteit aan wijken. Wat in de ene wijk werkt, hoeft in een andere wijk helemaal niet te werken. Daarom begint de zoektocht naar noodsteunpunten niet met een kaart waarop de gemeente nieuwe locaties aanwijst. Er wordt juist gekeken naar plekken waar mensen al komen en naar netwerken die al bestaan.
Buurthuizen, wijkverenigingen, religieuze instellingen, culturele instellingen, studentenverenigingen en kennisinstellingen hebben allemaal hun eigen plek en netwerk in de stad. Soms vervullen ze al een functie die in een crisissituatie van grote waarde kan zijn.
“De top-down gedachte is: wij gaan vanuit de overheid bedenken waar we noodsteunpunten kunnen realiseren. In Leiden proberen we juist te kijken hoe het aansluit bij hoe die stad al beweegt en waar mensen al te vinden zijn.”
Daarbij maakt Francine een onderscheid dat inmiddels bijna een mantra voor haar is geworden: panden EN handen. “Het organiseren van een pand met functies is één. Maar het netwerk eromheen, de handen eromheen, die maken dat mensen daar naartoe komen.”
Dat betekent dus niet alleen nadenken over locaties, maar ook over mensen. Wie kent de wijk? Wie kan helpen? Wie kan informatie verspreiden? Wie weet waar kwetsbare inwoners wonen? Wie kan een bijdrage leveren als er daadwerkelijk iets gebeurt?
Van ‘wat kan ik?’ naar ‘wat kunnen wij?’
Die gedachte zie je volgens Francine op verschillende plekken in Leiden al ontstaan.
Wijkverenigingen organiseren bijeenkomsten waarin inwoners niet alleen horen wat ze zelf kunnen doen, bijvoorbeeld met een noodpakket, maar ook nadenken over de vraag: “wat kunnen wij samendoen?”
In een wijk is bijvoorbeeld geïnventariseerd waar artsen wonen en waar mensen wonen die mogelijk hulp nodig hebben. Daarmee ontstaat iets heel eenvoudigs, maar tegelijk heel krachtigs: mensen weten beter wie er in hun omgeving beschikbaar is en waar hulp nodig kan zijn. Ook vanuit inwoners zelf ontstaan initiatieven. Een groep Leidenaren die vanuit hun interesse en professionele achtergrond met maatschappelijke weerbaarheid bezig is, heeft zichzelf “Leiden Weerbaar” genoemd. Zij ondersteunen onder andere wijkverenigingen bij het organiseren van bijeenkomsten.
Ook studentenverenigingen zijn hiermee bezig. Zij denken na over wat zij voor hun leden kunnen organiseren. Zo zijn er afspraken gemaakt met aanbieders om tegen lagere prijzen noodpakketten voor studenten beschikbaar te maken. Vervolgens wordt gekeken hoe ook andere organisaties hierbij kunnen worden betrokken voor mensen die minder te besteden hebben.
Het zijn geen initiatieven die speciaal voor een weerbaarheidsprogramma zijn bedacht. Ze ontstaan vanuit de stad zelf. En juist daarin zit volgens Francine een belangrijke kracht. Niet alles vanuit de gemeente organiseren, maar kijken wat je kan versterken dat al gebeurt.
De oefening: wat gebeurt er als je alles bij elkaar brengt?
Die gedachte is ook in de praktijk getest. Leiden deed mee aan een landelijke pilot rond noodsteunpunten en noodmeldingen. De gemeente koos ervoor om de oefening breder te trekken. Niet alleen oefenen met meldingen en informatievoorziening, maar ook onderzoeken wat er gebeurt als je bestaande netwerken, informele hulp en lokale kennis erbij betrekt. De oefening vond plaats in het pand van studentenvereniging Minerva. Er werd geoefend met noodmeldingen, maar ook met burgerhulp. Het Rode Kruis hielp om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Studenten geneeskunde werden ingezet voor triage. En er waren mensen die tussen verschillende locaties fietsten om informatie en signalen uit de wijk op te halen.
De vraag was steeds: “hoe kunnen we vanuit zo’n plek niet alleen informatie geven, maar ook zicht krijgen op wat er in de wijk gebeurt en andersom?” De belangrijkste les blijkt eenvoudig: mensen moeten elkaar kennen, en door ze bijeen te brengen, vindt er uitwisseling plaats. Tegelijkertijd liet de oefening zien dat er nog veel te ontwikkelen valt. Welke functies horen precies op welke plek? Wat doe je centraal en wat juist lokaal? Hoe zorg je ervoor dat een plek daadwerkelijk dienend is aan de behoefte die er op dat moment is? Dat zijn vragen die je niet vanuit één organisatie kunt beantwoorden.
Verbinding is óók een voorziening
Daarmee komt Francine bij een bredere kijk op weerbaarheid. Want als er iets gebeurt, hebben mensen niet alleen behoefte aan informatie of een plek om een noodmelding te doen. Ze willen ook weten waar ze terecht kunnen. Ze willen soms gewoon iemand spreken. Een kop koffie drinken. Hun verhaal kwijt kunnen. Weten waar water beschikbaar is of waar ze hun telefoon kunnen opladen. Dat lijkt misschien klein tegenover grote crisisscenario’s. Maar juist die verbinding kan van grote betekenis zijn als een situatie langer duurt.
Francine noemt het een soort “lifelines”: basisvoorzieningen die vanuit een noodsteunpunt bereikbaar of vindbaar moeten zijn. En daar zit ook een belangrijke sociale laag onder. “Ken ik mijn buren?” Voor Francine is dat geen vrijblijvende vraag. Als mensen elkaar kennen en weten wat ze voor elkaar kunnen betekenen, ontstaat een basis waarop je tijdens een crisis kunt voortbouwen.
“Wat voor stad willen wij zijn? Willen we überhaupt niet gewoon dat we het met elkaar fijn hebben? Dat we onze buren kennen en het gevoel hebben dat we onderdeel zijn van die wijk, van die stad?” Dat is volgens haar niet iets wat ná een crisis nog snel georganiseerd kan worden. Het is een randvoorwaarde voor weerbaarheid.
Weerbaarheid zit al verweven in de stad
Misschien is dat wel de belangrijkste les uit Leiden: maatschappelijke weerbaarheid hoeft niet altijd herkenbaar te zijn als ‘weerbaarheid’. Francine geeft een mooi voorbeeld. In Leiden wordt natuureducatie georganiseerd waarbij specialisten met inwoners praten over welke planten en kruiden eetbaar zijn. Op zichzelf heeft dat niets met een noodsituatie te maken. Maar kijk je er vanuit een weerbaarheidsperspectief naar, dan ontdek je ineens een andere waarde.
“Het is een nieuw licht, of een nieuwe actualiteit op wat we al doen.”
Dat vraagt om een andere manier van kijken. Niet steeds de vraag: “wat moeten we nog organiseren voor weerbaarheid? Maar ook: wat doen we eigenlijk al, en hoe draagt dat bij?” Daarmee wordt weerbaarheid geen apart programma dat naast de organisatie en de samenleving staat. “Volgens mij is de kracht van een organisatie juist om het te integreren in wat we al doen. Dat weerbaarheid denken moet gewoon zitten in het DNA.”
Niet óf voorzieningen, óf relaties. Maar én én.
Op de vraag of weerbaarheid volgens haar vooral gaat over voorzieningen en structuren óf over relaties, is Francine heel duidelijk: “Het is niet of-of. Het is en-en.”
Maar het vertrekpunt ligt volgens haar bij de relatie met mensen. Van daaruit volgen de voorzieningen en structuren. Dat verandert ook de rol van de gemeente. Niet alles zelf bedenken, organiseren en uitvoeren, maar de kracht die er al is herkennen, verbinden en versterken.
Francines boodschap aan andere gemeenten is dan ook helder: “De weerbaarheidsopgave is breed. Dus dat betekent dat je het ook breed moet benaderen. Er is al zoveel in huis. Maak daar gebruik van.” En ‘in huis’ betekent nadrukkelijk niet alleen binnen het gemeentehuis. Het gaat om de kracht van de stad: inwoners, verenigingen, ondernemers, kennisinstellingen, zorg, welzijn, culturele en religieuze organisaties. Om de plekken die er al zijn. En vooral om de mensen die daar omheen staan. De panden zijn er. De handen zijn er. De netwerken zijn er. De opgave is om ze met elkaar te verbinden, te versterken en – als het nodig is – in werking te zetten.